Zomaar een citaat uit een wonderlijk boek, van een bewonderde schrijver.
Eigenlijk wil hij het over iets anders hebben dan graan, en hoeveel zakken, en graag of niet graag.
Hij wil iets citeren, iets wat door een ander geschreven is:
quid expectamus nunc abent omnes volucres nidos inceptos nisi ego et tu hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nuOndanks het feit dat het niet bekend is wie dit stukje tekst heeft geschreven, geeft de bewonderde schrijver ons, terecht, de volgende informatie:
anoniem, eerste kwart van de twaalfde eeuwEn de bewonderde schrijver citeert niet deze tekst zonder enig toevoegsel, want als je citeert heb je daar een reden voor, mogelijk duiden de woorden iets wat je graag nogmaal, maar in een andere vorm vertelt wilt hebben, en die licht je toe. In dit geval wil de bewonderde schrijver aantonen dat het geciteerde niet zo simpel kan én mag zijn zoals het eruit ziet, er moet iets meer aan de hand zijn.
De bewonderde schrijver helpt mij vaker in tijden waar woorden te kort schieten, hij geeft mij weer woorden van anderen, zoals wellicht bekend:
Je moet niet alleen, om de plek te bereiken, thuis opstappen, maar ook uit manieren van kijken. Er is niets te zien, en dat moet je zienom alles bij het zeer oude te latenHerman de Coninck, uit: In Liefde Bloeyende, door Gerrit KomrijIn de tijd dat deze tekst vaak voor ons te horen was, heb ik altijd over het woordje -
zeer - heen geluisterd, gewoon niet gehoord, was ook hier méér aan de hand?